De herhaling (Søren Kierkegaard)
[Reformatorisch Dagblad, 7 januari 2009]
Søren Kierkegaard is een moeilijk te doorgronden auteur. Tot de meest raadselachtige werken van de Deens denker behoort ”De herhaling”, waarvan recent een vertaling verschenen is.
Kierkegaard (1813-1855) heeft zich voorgenomen „zo te schrijven dat de ketters het niet kunnen begrijpen.” De herhaling werd op 16 oktober 1843 gelijktijdig uitgegeven met ”Vrees en beven”. De boeken kunnen niet los van elkaar worden gezien. In ”Vrees en beven” staat Abraham centraal, die bereid is zijn zoon te offeren. In het veel minder bekende boek ”De herhaling” draait het om de geschiedenis van Job die een ’herhaling’ verkreeg door zijn verzoening met God. Alle begrippen die centraal staan in het denken van Kierkegaard komen in ”De herhaling” terug: beweging, herinnering en herhaling, vrijheid en keuze, schuld en sprong, uitzondering en het algemene, immanentie en transcendentie.
Verbroken verloving
”De herhaling” is een filosofisch werk in verhaalvorm, geschreven onder het pseudoniem Constantin Constantius. In het eerste deel van het boek is Constantius aan het woord. Hij vertelt hoe hij de vertrouweling is geworden van een verloofde jongeman. Hoewel de jongeman zijn geliefde hartstochtelijk liefheeft, is hij toch ongelukkig. De jongeman is volgens Constantius ten prooi gevallen aan „de ongelukkige liefde van de herinnering.” De melancholicus was al vanaf een van de eerste dagen van zijn verliefdheid „in staat om zich zijn liefde te herinneren.” Het meisje had een poëtische houding in hem opgewekt, waardoor hij idealen voor werkelijkheid hield. Hij kon haar niet werkelijk beminnen. De uitweg is volgens Constantius dat de jongeman breekt met zijn geliefde. Door eerst in het reine te komen met zijn poëtische houding zou er de mogelijkheid komen van een herhaling van de verloving. Constantius onderneemt een (voor hem tweede) reis naar Berlijn om de categorie herhaling uit interesse nader te onderzoeken. Dit loopt op een teleurstelling uit.
In het tweede deel van het boek zijn vooral brieven aan te treffen die de jongeman en Constantius aan elkaar schrijven. De jongeman heeft daadwerkelijk zijn verloving verbroken en worstelt nu – tevergeefs – met zichzelf om tot een herhaling te komen. Zijn voorbeeld daarbij is Job, die alles verloor, maar als bij herhaling alles dubbel terug kreeg. In de laatste brief is de jongeman alsnog tot een herhaling gekomen, omdat zijn vroegere verloofde met een ander is gehuwd. Het wordt echter niet duidelijk waaruit de herhaling bestaat.
Ondanks dat het verhaal tamelijk eenvoudig lijkt, weet Kierkegaard de lezer voortdurend op het verkeerde been te zetten omtrent zijn bedoeling met het boek. Het is verleidelijk om een verband te leggen met opmerkelijke parallellen tussen het verhaal en Kierkegaards biografie -de verbroken verloving met Regine Olsen- hoewel hij zich altijd sterk heeft verzet tegen een dergelijke interpretatie van zijn werk.
Waarheid
Wat heeft Kierkegaard met dit boek bedoeld? Zoals veel van Kierkegaards werken is ook ”De herhaling” verschenen onder een pseudoniem. Het gebruik van pseudoniemen hangt samen met zijn opvatting van filosofie. De individuele mens is eindig en beperkt en lijdt onder angst en vertwijfeling. Mensen zijn niet in staat de ’objectieve’ waarheid te vatten. Waarheid laat zich slechts indirect mededelen. Het gaat Kierkegaard dan ook niet om het abstracte denken, maar om de concrete werkelijkheid. Filosoferen is existentieel: pseudonieme auteurs geven steeds een visie op de veelzijdige werkelijkheid.
De ondertitel van ”De herhaling” luidt: Een proeve van experimenterende psychologie. In het boek wordt een poging tot psychologische herhaling ondernomen. Kierkegaard is echter niet gelijk te stellen aan Constantius of de jongeman.
Ondanks zijn opvatting van filosofie ontkomt Kierkegaard niet aan een zekere systematiek in zijn denken. Zo onderscheidt hij drie „stadia op de levensweg”, dat wil zeggen: drie houdingen die de mens ten opzichte van de wereld kan innemen. In het esthetische stadium staan het zinnelijk genieten en de verleiding centraal. In het ethische stadium echter wordt de mens pas werkelijk een „zelf”, in gehoorzaamheid aan de wet, ofwel het algemene. Van een andere orde is het religieuze stadium dat slechts binnengetreden wordt middels de absurde sprong van het geloof. Geloven is een paradox, een overstijgen van de grens van het verstand. Dit wordt duidelijk aan de hand van de geschiedenissen van Abraham en Job.
Een nieuw begin
Het geloof is de sprong tussen de eindigheid en de oneindigheid. Het is de overgang van het ethische naar het religieuze. Zoals Abraham tegen de algemeen-ethische wet in bereid was zijn zoon te offeren in gehoorzaamheid aan God, zo verzoende Job zich met God nadat hem alles was afgenomen. Abraham kreeg zijn zoon terug, Job zijn bezittingen. Constantius stelt: „Job is gezegend en heeft alles dubbel gekregen – dat noem je een herhaling.”
De herhaling is hier de verzoening met God, niet zozeer de materiële gaven. Herhaling vindt niet plaats op het natuurlijk-materiële vlak, maar op het geestelijke.
Wanneer de esthetische mens -uit schuldbesef?- tot een nieuw zelf komt, treedt hij binnen in het ethische stadium. Hij blijft echter in zichzelf opgesloten wanneer deze beweging immanent (binnenwereldlijk) blijft. Constantius spreekt hier van herinnering in plaats van herhaling. „Wat herinnerd wordt, is geweest, wordt achterwaarts herhaald.” Slechts door het geloof is er werkelijk een nieuw begin mogelijk. Waar de categorie herinnering immanent blijft, heeft de categorie herhaling een transcendent (deze werkelijkheid overstijgend) karakter.
Er zijn meer lagen in het boek die het er niet eenvoudiger op maken. Waar bijvoorbeeld de herhaling wordt geplaatst tegenover de herinnering is Kierkegaard mede in discussie met presocratische filosofen over de vraag of beweging mogelijk is en met Plato over kennis als herinnering.
Ook een uitgebreide beschouwing over het theater en de toneelspeler -de wereld en de mens?- vergen de nodige leesvaardigheid en filosofische verbeelding. Wie daar niet voor terugschrikt, heeft echter met dit boek veel stof tot nadenken.
De herhaling is het derde deel in de prachtige nieuwe reeks Kierkegaard Werken van uitgeverij Damon. De verzorging van de uitgaven is uitstekend, het notenapparaat goed en de verklarende uitleiding verhelderend, zo niet onmisbaar. Het is toe te juichen dat er sinds 1958 in het Nederlandse taalgebied weer een vertaling van dit werk voorhanden is.
Constantin Constantius (Søren Kierkegaard), De herhaling. Een proeve van experimenterende psychologie, Budel: Damon 2008.
Een progressieve conservatief. Edmund Burke als tijdgenoot. (Rudolf Boon)
De achttiende eeuwse Anglo-Ierse politicus Edmund Burke heeft zijn plaats in de annalen van de geschiedenis vooral te danken aan zijn Reflections on the Revolution in France, een aanval in regel op de fundamenten en gevolgen van de Franse Revolutie. Burke’s monumentaal werk maakte van hem voor altijd de “vader van het conservatisme”. In “Een progressieve conservatief. Edmund Burke als tijdgenoot.” laat emeritus hoogleraar theologie Rudolp Boon ons nader kennismaken met Burke.
De conservatieve politicus blijkt geen starre revolutionair te zijn, maar een man die het aandurfde fundamentele vragen te stellen én te beantwoorden. Burke’s pleidooi voor de afschaffing van de slavernij, zijn goedkeuren van de Amerikaanse vrijheidsstrijd en zijn verdediging van de Ierse zaak zijn hiervan sprekende bewijzen. Burke waarschuwde voor een maatschappij die haar tradities terzijde schuift ten faveure van utopische luchtkastelen. De politicus was hierin een redelijk romanticus, immer zoekend naar het juiste midden tussen rede en verbeelding, verstand en gevoelen. Het maakt van hem in deze ongewisse tijden waarin tirannie steeds om de hoek loert een tijdgenoot die ons voor fatale vergissingen waarschuwt. In het werk van Boon komen ook bekende kritische stemmen ten aanzien van Burke aan bod, alzo passeren onder meer Mary Wollstonecraft en Thomas Paine de revue.
Het boek is kortom een nuttige aanvulling op het bestaande beperkte Nederlandstalige corpus van werken over Edmund Burke.
Rudolf Boon, Een progressieve conservatief. Edmund Burke als tijdgenoot, Aspekt 2004.
Lof van het conservatisme. (Bart Jan Spruyt)
“conservatief” is in Nederland niet langer een scheldwoord. De afgelopen jaren is het aantal public intellectuals dat de benaming als geuzennaam koestert gestaag gestegen. In het boekwerk Lof van het Conservatisme schets historicus Bart Jan Spruyt, directeur van de Nederlandse Edmund Burke Stichting, een beeld van wat het conservatisme nu betekent. Het verhaal wordt geconstrueerd aan de hand van een reeks portretten van denkers; Edmund Burke, Alexis de Tocqueville en Dietrich Bonhoeffer worden naast vele andere hier voor het voetlicht gebracht.
Het eerste luik van het werk handelt over het conservatieve gedachtegoed in Nederland en hoe dit in het verleden verstrooid raakte over liberale, christen-democratische en antirevolutionaire partijen. Het tweede deel van het werk draait om het conservatisme en de staat. Burke krijgt in deze bespreking een prominente plaats. Het derde luik is een verhandeling over conservatisme en cultuur en behandelt onderwerpen als etiquette en beschaving, literatuur, kunst, filosofie, opvoeding en bio-ethiek. De verschillende lijnen van Spruyts betoog komen bij elkaar in de epiloog waar we een zelfverzekerde Spruyt horen uitroepen dat het conservatieve moment is aangebroken.
Tot zover de structuur van het werk. Wat als een inhoudelijke rode draad door de verschillende figuren en ideeën die in het boek aan bod komen, naar boven komt drijven, is dat het conservatisme de waardevoller hoeder is van het door eeuwen heen in de klassieke en joods-christelijke beschavingen opgebouwde inzicht in de menselijke conditie. Het is dit begrip van de mens en zijn beperkingen dat de weg wijst naar broodnodige Selbstzwang door morele opvoeding en gewetensvorming en naar de outer controls die de mens behoeft als de inwendinge remmen niet blijken te voldoen. Gezin, school, universiteit en kerk hebben in dit alles hun rol te spelen. Wat volgt na deze inspanningen is een leven dat niet “solitary, poor, nasty, brutish and short” is om het met Hobbes te zeggen, maar vreugde biedt. “Conservatism is enjoyment” luidt het raak gekozen motto van Spruyts werk.
Bart Jan Spruyt, Lof van het conservatisme, Balans 2003.
De Satanische Revolutie (Joseph de Maistre)
De Franse Revolutie (1789) is een dermate ingrijpende gebeurtenis – of beter: reeks gebeurtenissen – geweest, dat alle denkers van eind 18e en 19e eeuw zich er op een of andere manier toe hebben moeten verhouden. De jonge Franse ambtenaar Joseph de Maistre (1753-1821) bevond zich middenin de nasleep van de Revolutie toen hij in 1796 of 1797 – over het jaartal bestaat geen zekerheid – zijn pamflet Considérations sur la France schreef. De Maistre, die samen met De Bonald de voornaamste denker van de contrarevolutie in Frankrijk is, reageerde met zijn pamflet op een ander geschrift, van de hand van Benjamin Constant.
De liberale royalist Constant betoogde in 1796 in een pamflet dat er in de Franse Revolutie twee fasen te onderscheiden zijn : een eerste, gematigde fase die aanving in 1789 en een tweede, radicale fase, die van de Terreur (1793-1794). De eerste fase zou positief te beoordelen zijn en burgerlijke en politieke vrijheden hebben gebracht, terwijl pas de tweede fase tirannie bracht. Constant was het te doen met zijn pamflet de twijfelende royalisten in het kamp van de Republiek te brengen. De overtuigde royalisten (contrarevolutionairen), die bij de op handen zijnde verkiezingen een meerderheid dachten te kunnen halen, wilden koste wat het kost de capitulatie voor de Republiek voorkomen.
Tot die laatste groep behoorde de Maistre die op dit beslissende moment, beïnvloed door Edmund Burke’s Reflections on the Revolution in France (1790), in allerijl met Considérations sur la France zijn antwoord op Constant schreef. Hij betoogt erin met verve dat de Revolutie niet in twee fasen moet worden onderscheiden, maar een geheel vormt. Niet alleen een deel, maar de hele revolutie van 1789 is door en door verwerpelijk. Het overweldigende en onverklaarbare van de revolutie kan niet anders uitgelegd worden als bestraffing van God van de hoogmoed en goddeloosheid van de mens. Het grenzeloze vertrouwen in de ratio, het maakbaarheidsdenken van de Verlichting, het moreel verval van het ancien régime en de adel, dit alles heeft het volk in het verderf van een goddeloze, ja satanische revolutie en tirannie gestort. De Maistre doet uit de doeken hoe een contrarevolutie, die de oude orde zal herstellen, het huidige regime op beheerste wijze zal doen imploderen. De vermeende gevaren van een contrarevolutie worden daarbij van tafel geveegd.
De Satanische Revolutie is een goede uitgave, enkele schoonheidsfoutjes daargelaten. Een inleiding en een uitgebreid arsenaal aan voetnoten geven biografische informatie over de Maistre en een beschrijving van de historische context. Dit werk is daarmee een prima inleiding in het denken van de Maistre. De Satanische Revolutie is verschenen in de serie Maatstaf van uitgeverij Aspekt. De prima serie beoogt klassieke, tijdloze geschriften die in het Nederlandse taalgebied nooit eerder zijn verschenen, dan wel lang geleden zijn uitverkocht en in de vergetelheid geraakt, maar nog steeds waard zijn om gelezen te worden, opniew uit te geven.
Joseph de Maistre, De Satanische Revolutie, Aspekt 2003.
Tegen de decadentie. De democratische rechtstaat in verval (Paul Cliteur)
Decadentie is het verval van een beschaving die over haar hoogtepunt heen is. In zekere zin is ook Nederland decadent geworden, zo stelt Paul Cliteur, hoogleraar Encyclopedie van het Recht in Leiden, veelschrijver en columnist. In het debat over de multiculturele samenleving, integratie en inburgering blijkt dat velen het met de grondslagen van ons systeem – de democratische rechtsstaat – niet zo nauw nemen. Daarnaast kan er welhaast gesproken worden van ‘anarchie’ in ons openbaar bestuur. Zo behandelt Cliteur de scheefgegroeide verhouding tussen (top)ambtenaren en de minister. Hij pleit voor het Weberiaanse model waarin ambtenaren loyaal de beleidsopties van de politici in daden omzetten. Een ander probleem is het streven van sommigen (onder wie Job Cohen) om moslims via hun geloof te doen integreren. Volgens Cliteur valt deze aanpak niet te rijmen met de scheiding van kerk en staat. Verder maakt Cliteur zich zorgen over de juridische inflatie die de kop opsteekt door het almaar toekennen van nieuwe rechten aan burgers. Het is een dynamiek die niet louter ons rechtssysteem ondergraaft, maar ook voor problemen zorgt wanneer we nieuwkomers duidelijk willen maken in welk systeem ze moeten integreren. Het is noodzakelijk ons opnieuw te oriënteren op de bron van ons waardesysteem: het Grieks-Romeinse gedachtegoed. Cliteur strijdt tegen het decadente cultuurrelativisme en het etnisch gekleurd multiculturalisme. We mogen onbeschroomd stellen dat de westerse beschaving superieur is. Anderzijds strijdt hij voor een seculiere publieke cultuur en de bevordering van een liberal democracy.
Cliteur geeft in zijn vlotgeschreven boek een conservatieve cultuurkritiek. Zijn analyse van bestaande problemen is scherp; zijn behandeling van concepten als de democratische rechtsstaat is grondig. Zeker, enige polemische overdrijving kan de auteur niet ontzegd worden. Maar dat doet niks af aan het feit dat de problemen die hij aansnijdt zeer reëel zijn. Het is in deze tijd daadwerkelijk meer dan ooit nodig om ons te bezinnen over de grondslagen van ons systeem. Daartoe geeft dit boek een aanzet. Voor wie zich ergert aan een politiek correct denkklimaat, is het alvast een ware verademing.
Paul Cliteur, Tegen de decadentie. De democratische rechtstaat in verval, Amsterdam: De Arbeiderspers 2004.
Waar is wat goed voelt (recensie)
[Reformatorisch Dagblad, 7 mei 2008]
Zette men in de jaren tachtig de opnamen voor een EO-televisieprogramma nog stop wanneer er bij een van de gasten een traan tevoorschijn kwam, tegenwoordig zoomen de camera’s juist in. Het gevoel is immers belangrijk. Dit is een sprekend voorbeeld van wat de auteurs van de bundel ”Alles wat je hart begeert? Christelijke oriëntatie in een op beleving gerichte cultuur” aanduiden als een belevingscultuur.
Volgens filosoof Jan van der Stoep wil belevingscultuur zeggen dat mensen in de samenleving van vandaag voortdurend op zoek zijn naar belevingen en ervaringen die hun diepste innerlijk raken. Niet langer staan het gesproken woord en de rede centraal, maar juist het gevoel en de ervaring. Kort samengevat: Waar is wat goed voelt. De belevingscultuur is de herleving van een romantische beweging tegen het rationalisme van de verlichting en het wetenschappelijk-technische denken. Het is ook een zoeken naar zin in een geseculariseerde wereld.
Met de bundel ”Alles wat je hart begeert?” speelt het Instituut voor Cultuur Ethiek (ICE), waarvan Van der Stoep directeur is, volgens eigen zeggen in op een breed gedeelde behoefte aan reflectie op de belevingscultuur. Het doel van het boek is allereerst om vanuit een christelijke oriëntatie een analyse te leveren van de belevingscultuur. De gehanteerde perspectieven zijn die van de filosofie en antropologie, de theologie en kerkgeschiedenis en de muziekwetenschap.
Kansen voor de kerk
Wat betekent het om in een belevingscultuur te leven? Timon Ramaker, docent communicatierecht en -ethiek aan de Christelijke Hogeschool Ede en Roel Kuiper, bijzonder hoogleraar in de reformatorische wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, betogen dat de belevingscultuur enerzijds onbehagen oproept, maar anderzijds kansen biedt, ook voor de kerk. De mogelijkheid tot de beleving van gevoelens heeft een bevrijdende kant, mede waar het de ontmoeting met God betreft. Tegelijk kan er sprake zijn van ”de druk van de beleving”: het leven móet spannend en fascinerend zijn.
De belevingscultuur heeft sterke wortels in de Reformatie, stelt filosoof Arthur Zijlstra. Bij Calvijn vindt een rehabilitatie plaats van de zintuiglijkheid en de lichamelijkheid van de mens als schepsel van God. Verlichting en romantiek kunnen beschouwd worden als reactie daarop, een reactie die uiteindelijk weer uitloopt op de revolutionaire jaren zestig van de vorige eeuw.
Theoloog H. W. de Knijff analyseert de rol die het gevoel speelt in de Bijbel. Opvallend is dat de Bijbel, net als andere boeken uit de oudheid, betrekkelijk weinig laat zien van wat er in het innerlijk van de mens omgaat. Het mensbeeld is sterk lichamelijk bepaald en ontheoretisch.
Als er over gevoelens gesproken wordt, is dat vaak in niet-specifieke zin. De meest uitgesproken gevoelsuitingen zijn nog te vinden in de Psalmen en in de brieven van Paulus. Door de Bijbel heen, zeker in het Nieuwe Testament, worden gevoelens in toenemende mate ingekleurd als reacties op het handelen van God. In die zin heeft er een theologisering plaats van het gevoelsleven.
Gevoelsjacht
De Knijff is van de auteurs degene die zich het meest kritisch uitlaat over de hedendaagse belevingscultuur en de gevoelsjacht. Gevoelsbeleving dient volgens hem zijn grenzen te kennen. Hij waarschuwt voor een gevoelsleven zonder grond, waarin ’vieren’ wordt losgekoppeld van gebeurtenissen die om viering vragen. De Knijff benadrukt overigens dat de belevingscultuur onlosmakelijk verbonden is met de christelijke erfenis.
Robert Doornenbal, docent cultuurfilosofie aan de CHE, laat zien waarin huidige opwekkingsbewegingen verschillen van de ”religie van het hart” uit de zeventiende en de achttiende eeuw (John Wesley, de puriteinen). Wanneer er over beleving en het ”zelf” gesproken werd, stond niet de zelfontplooiing, maar de zelfverloochening centraal.
Geloof
De vraag is hoe het christelijk geloof gestalte kan krijgen in de belevingscultuur en hoe hedendaagse christenen zich tot de belevingscultuur moeten verhouden. Moeten ze zich ertegen verzetten, zich aanpassen, de cultuur proberen te transformeren? De auteurs pleiten voor „kritische participatie in de verwachting van transformatie.” Wij moeten, net als generaties christenen voor ons, zoeken naar een christelijke levenskunst waarin verantwoordelijkheid gedragen wordt in de belevingscultuur, zonder verlies van identiteit.
Mensen hebben ordeningen en structuren nodig om ervaringen op te roepen, maar ook om ze te kunnen onderscheiden. Daarbij geldt dat de belevingscultuur niet zozeer moet worden gezien als de vijand van instituties (waaronder de kerk en het gezin), maar juist als een kritische toetssteen daarvan.
De belevingscultuur werkt ook door in de verschillende stromingen binnen de protestantse liturgie. Muziekwetenschapper Marleen Hengelaar-Rookmaker stelt: „De geschiedenis, ook die van de liturgie van de afgelopen eeuwen, leert dat als we de cultuur niet met open vizier tegemoet treden, deze via de achterdeur toch vaak op minder gewenste wijze binnendringt.”
Computergames
Om de bundel niet puur theoretisch te houden, is na ieder hoofdstuk een kader geplaatst waarin een voorbeeld wordt gegeven uit de belevingscultuur: popmuziek, films en computergames, maar ook hedendaagse spiritualiteit en liturgische vernieuwing. De kaders voegen inhoudelijk niet zo veel toe aan het boek, maar kunnen de niet-ingewijde lezer wel op de hoogte brengen van waar het in de belevingscultuur zoal om draait.
De bundel ”Alles wat je hart begeert?” biedt een zinvolle en grondige bijdrage aan een christelijke cultuurvisie en -kritiek. Er kunnen echter ook kritische vragen gesteld worden bij de analyses. Is de belevingscultuur bijvoorbeeld wel zo sterk gericht op het zoeken naar zingeving, zoals de auteurs veronderstellen? Zijn postreligieuze mensen niet veeleer op zoek naar ”lekker” en ”leuk” leven, het drama van ”de dood van God” voorbij? Daarnaast kan de vraag gesteld worden of de auteurs niet te optimistisch zijn over de kansen die de belevingscultuur biedt voor het christelijk geloof.
Hoe men de belevingscultuur en de daarvan gemaakte analyses ook beoordeelt, deze bundel is bedoeld om aan te zetten tot nadere bezinning en is daarin in ieder geval geslaagd.
Jan van der Stoep, Roel Kuiper & Timon Ramaker (red.), Alles wat je hart begeert? Christelijke oriëntatie in een op beleving gerichte cultuur, Amsterdam: Buijten en Schipperheijn 2007.
