Gastcolumn www.opunie.nl
In den beginne waren er RPF en GPV. Dat waren degelijke, principiële partijen, mannen van stavast. Ze stonden in de traditie van Guillaume Groen van Prinsterer, Abraham Kuyper en natuurlijk van Calvijn. Ze hadden een hoge C-factor en het was er eigenlijk ieder jaar Calvijnjaar. Deze Groen van Prinsterer en Kuyper waren echter bezorgd dat het ook ieder jaar Darwinjaar zou worden. Er was namelijk sprake van verlichte liberalen die in een soort evolutionisme geloofden. De samenleving was volgens die liberalen – keurige mensen verder – een zich autonoom ontwikkelende, amorfe massa, die functioneert binnen de kaders die de overheid stelt. Die overheid is verder neutraal en bemoeit zich niet met de richting die de individuele cellen uitgaan.
Groen van Prinsterer en Kuyper meenden echter dat er eerder sprake is van intelligent design: er zit een plan achter de wereld en er zijn voorgegeven structuren, los van de wil van de overheid. De samenleving is opgebouwd uit soevereine kringen, zoals het gezin, de school, de kerk, de universiteit, het bedrijf en daarnaast de overheid. Deze kringen moeten zich elk organisch ontwikkelen richting de normen die inherent zijn aan de kring en die niet door andere kringen worden bepaald. Kuyper stelde het in Het Calvinisme als volgt: ‘Het hoogste gezag in elke kring bestempelen we opzettelijk met de naam soevereiniteit in eigen kring, om scherp en beslist uit te drukken, dat dit hoogste gezag in elke kring niets dan God boven zich heeft, en dat de staat zich hier niet tussen kan schuiven en hier niet uit eigen macht heeft te bevelen.’ Groen van Prinsterer en Kuyper zagen de overheid niet zonder meer als iets positiefs. De overheid heeft binnen haar eigen kring belangrijke taken, zoals rechtshandhaving en bevordering van de openbare orde en veiligheid, maar wordt een gevaar wanneer ze zich teveel met de andere kringen begint te bemoeien. Dan treedt een verflauwing der grenzen op.
Een leerling van Groen van Prinsterer en Kuyper was Herman Dooyeweerd. Hij was een groot filosoof, niet zozeer een staatsman. Dooyeweerd zag de bevordering van publieke gerechtigheid als taak van de overheid. Hieruit zijn ten onrechte door sommigen vergaande conclusies getrokken over het takenpakket van de overheid. Hoe dan ook, de erfenis van Groen van Prinsterer en Kuyper was RPF en GPV wel toevertrouwd. Ze waren beducht voor een al te opdringerige overheid en streden op ethisch gebied tegen de vermeende neutraliteit van diezelfde overheid.
Op het wetenschappelijk bureau van de RPF werkte een zekere mr. A. Rouvoet. Hij schreef in 1992 een boek met de titel Reformatorische staatsvisie. Daarin maakte hij zich ondermeer druk over de doorgeschoten verzorgingsstaat. Hij schreef: ‘Nauw verbonden met de opkomst van wat genoemd wordt de verzorgingsstaat is de tendens tot collectivisme en centralisme: waar de burger en zijn maatschappelijke verbanden hun verantwoordelijkheden niet of niet goed kunnen waarmaken, zien we de staat plaatsvervangend optreden en taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden naar zich toe trekken, dan wel naar zich toe geschoven krijgen. Op deze wijze treedt een verstatelijking van de maatschappij op: de staat rukt steeds verder op en dringt de verbanden steeds verder terug.’ Rouvoet betoonde zich een goede leerling van Groen van Prinsterer en Kuyper met hun soevereiniteit in eigen kring. Hij maakte zich ook druk over het CDA dat de principiële koers had verlaten en tot een ‘zakelijk-technische’ bestuurderspartij was verworden. Binnen het CDA constateerde hij een doelmatigheidsdenken dat leidde tot ‘een technocratische aanpak van de maatschappelijke problemen die zich voordoen, ongeacht of die problemen wel door de overheid behoren te worden opgelost’. Bovendien werd binnen het CDA gemakkelijk aansluiting gevonden ‘bij de terminologie, die zowel in de liberale als in de socialistische staats- en overheidsvisie gehanteerd wordt.’
In 2001 traden RPF en GPV in het huwelijk. Dat was een goede zet, want ze herkenden zich erg in elkaar. Als ChristenUnie gingen ze samen verder. Na enige tijd begon de ChristenUnie echter vreemd gedrag te vertonen en een veel linksere, progressievere koers te varen dan RPF en GPV bij elkaar deden. Ze begon te spreken over ‘christelijk-sociaal’ beleid, hoewel niet helemaal duidelijk was wat daar nu mee bedoeld werd. Ook begon ze hetzelfde stemgedrag te vertonen als de linkse oppositie, hoewel achter die standpunten natuurlijk wel steeds een principiële en zeer integere gedachtevorming zat. De partij bleef uiteraard wel consequent. Daarom stelde Rouvoet -inmiddels partijleider geworden- dat de ChristenUnie ‘zich niet moet laten verleiden tot het sluiten van compromissen op het terrein van leven en dood’ (2001), hoewel natuurlijk anderzijds geldt dat er ‘geen enkel terrein bestaat waar een compromis ondenkbaar is’ (2006) wanneer er de mogelijkheid bestaat om mee te regeren.
Toen mocht de ChristenUnie meeregeren. Rouvoet werd minister van Jeugd en Gezin. Hij mocht regeren samen met andere oud-studenten van de Vrije Universiteit (nog opgericht door Kuyper vanuit de gedachte dat de universiteit een kring is die vrij moet zijn van staat en kerk). Het vreemde was dat Rouvoet steeds meer begon te lijken op de CDA-bestuurders die hij eerder verweet zakelijk-technisch bezig te zijn. Zo schreef hij in 2007 het beleidsprogramma Alle kansen voor alle kinderen. De overheid moest gaan opletten of het niet verkeerd ging in gezinnen. Daarvoor moesten ‘hulpverleners’ paraat staan om mensen die het niet goed begrepen van staatswege uitleg te geven. De professionals moeten vooral goed geïnformeerd zijn. ‘Met deze maatregelen raakt het spreekwoordelijke gereedschapskistje van de professional steeds beter gevuld.’ Verder wilde de overheid nog de jeugdcultuur veranderen, maar dat hoefde pas in 2011 gerealiseerd te zijn. In de nota De kracht van het gezin uit 2008 schreef Rouvoet: ‘Professionals spelen een cruciale rol in het jeugd- en gezinsbeleid’. Het gezin was misschien toch niet zo krachtig en soeverein in eigen kring. De laatste sociaalwetenschappelijke inzichten konden de professionals gelukkig helpen om er zonodig aan te sleutelen.
Sommige mensen stoorden zich aan het tenenkrommend welzijnswerkersjargon in de nota’s, en pakten Rouvoets boek uit 1992 er nog eens bij. De wending van Rouvoet leek symptomatisch voor de ChristenUnie als geheel. RPF en GPV hebben altijd gestreden tegen de gedachte van een neutrale overheid, maar de ChristenUnie trok deze lijn niet door naar de vermeende neutraliteit van een bestuurlijke logica en bleek een groot vertrouwen te hebben in het vermogen van de overheid om maatschappelijke problemen op te lossen. Ze bleek niet bang te zijn dat geloof in dat oplossingsvermogen omgekeerd evenredig is aan de kracht van de kringen in de samenleving. De overheid bleek niet alleen het zwaard niet tevergeefs te dragen, maar publieke gerechtigheid bleek ook te betekenen dat de overheid nog een veel groter instrumentarium meedroeg, want dat was wel zo christelijk-sociaal. De overheid moest de goede samenleving maken. Een soort creationisme eigenlijk.
Op dit punt gekomen werd ook de vraag opgeworpen wat de positie van de CU nog was. Hoeveel ruimte zit er tussen SGP, CDA en PvdA?

Dit verhaal hoor ik wel vaker, maar het zit er goeddeels naast, omdat u kennelijk een aantal zaken over het hoofd ziet.
Zo laat Kuyper in zijn Souvereiniteit in Eigen Kring ruimte voor de staat om in te grijpen in een andere kring, wanneer de overheid van die kring faalt (in het geval van bijv. het gezin de ouders), het ingrijpen moet er dan op gericht zijn de soevereiniteit in die kring te herstellen.
Dat is ook wat Rouvoet beoogt met zijn jeugd- en gezinsbeleid en dat is in lijn met wat hij ook al in Reformatorische Staatsvisie schreef.
Want ja, sommige gezinnen zijn inderdaad niet zo soeverein, de staat – als mechanisch hoofd van de samenleving – zet zich dan in om die soevereiniteit te herstellen.
De observatie dat de term christelijk-sociaal geïntroduceerd is na de fusie, hoor ik ook wel vaker, maar die is onjuist. Leen van Dijke sprak al jaren voor de fusie van de RPF als een christelijk-sociale partij en de term is zelfs terug te voeren op Abraham Kuyper, dat sommigen er een andere betekenis aan hechten is natuurlijk spijtig, maar de term an sich en wat er binnen de ChristenUnie mee bedoeld wordt heeft goede anti-revolutionaire papieren.
Het komt u in de lijn van uw betoog natuurlijk goed van pas om te doen of er een wereld van verschil is tussen RPF/GPV en ChristenUnie, maar de feiten liggen anders.
De constatering dat de ChristenUnie hetzelfde stemgedrag zou vertonen als linkse partijen, getuigt wel van een erg beperkte visie op de feiten. Er zijn immers ook voorbeelden van het tegendeel te noemen.
Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat u het de ChristenUnie kwalijk neemt geen klassiek-liberale partij te zijn die naar een nachtwaker-staat streeft, maar dat claimt de ChristenUnie ook niet en dat stonden Groen en Kuyper ook niet voor.