De twintigste-eeuwse schrijver C.S. Lewis (1898-1963) is vooral bekend als apologeet, maar hij is ook een verdediger van het natuurrecht. Zijn gedachten hieromtrent heeft hij vooral uitgewerkt in The Abolition of Man (1943). Dit boekje bestaat uit drie lezingen die Lewis in februari 1943 hield. Het is een pamflet tegen moreel en cultureel relativisme en een verdediging van de idee dat er een objectieve morele orde bestaat. Dit is een realiteit die onafhankelijk van menselijke waarneming en kennis bestaat. Deze realiteit omvat waarden en principes die onveranderlijk en eeuwig zijn (the permanent things). Deze orde, dit natuurrecht, is een toetssteen voor menselijk gedrag en menselijke ordeningen. Dit natuurrecht is niet willekeurig tot stand gekomen en is tegelijkertijd onafhankelijk van menselijk handelen.
Lewis schrijft dit pamflet tegen relativisme in 1943, dus je zou verwachten dat hij aansluit bij de actualiteit van de oorlog, het communisme en het nationaal-socialisme, maar dat doet hij niet. De ondertitel van het boekje luidt: Reflections on Education with Special Reference to the Teaching of English in the Upper Forms of Schools. Lewis slaat Hitler en Stalin over en begint met twee brave Engelse schoolmeesters, die hij (geanonimiseerd) Gaius en Titius noemt. Deze schoolmeesters schreven een taalboekje, waarvan Lewis een exemplaar in handen kreeg.
Gaius en Titius analyseren voor hun leerlingen een fragment van de dichter Coleridge waarin twee toeristen een waterval bezoeken. De ene toeschouwer noemt het schouwspel ‘grandioos’ (‘that is sublime’) en de ander ‘leuk’. Coleridge is het eens met het eerste oordeel en verwerpt vol afschuw het tweede. Gaius en Titius stellen:
Toen de man zei: Dat is grandioos, leek het alsof hij een opmerking maakte over de waterval. In werkelijkheid maakte hij geen opmerking over de waterval, maar een opmerking over zijn eigen gevoelens. Eigenlijk zei hij: Ik heb gevoelens die in mijn gedachten verbonden zijn met het woord ‘grandioos’, of kortweg: Ik heb grandioze gevoelens. Deze verwarring is in ons taalgebruik voortdurend aanwezig. Het lijkt alsof wij ergens iets heel belangrijks over zeggen, en in werkelijkheid zeggen wij alleen maar iets over onze eigen gevoelens.
Dit is dus wat Gaius en Titius hun onschuldige leerlingen willen voorhouden: alle zinnen waarin een waarde wordt uitgedrukt zeggen slechts iets over de gemoedstoestand van de spreker en zijn daarom eigenlijk onbelangrijk.
Lewis stelt echter: Nog niet zo lang geleden waren de meeste denkende mensen ervan overtuigd dat in het universum waarin ze leefden bepaalde gevoelsreacties al of niet van toepassing waren. De waterval van Coleridge ‘verdiende’ de benaming ‘grandioos’. In de moderne cultuur wordt echter een onderscheid gemaakt tussen enerzijds een wereld van gevoelens en anderzijds, los daarvan, een wereld van betekenisloze feiten zonder waarden. Het ware, het goede en het schone zijn relatief verklaard.
Lewis gelooft echter in een objectieve morele orde, die hij aanduidt met het Chinese woord ‘Tao’. De Tao bevat de algemene moraal zoals die in de meeste beschavingen beleden wordt. Als illustratie verzamelde Lewis in de appendix een reeks van uitspraken uit de meest uiteenlopende bronnen, zoals uit denksystemen en religies van Grieken, Romeinen, Chinezen, Indiërs, Egyptenaren, Babyloniërs, Indianen en anderen. Zonder enige moeite kan men die uitspraken terugbrengen tot bekende deugden als naastenliefde, voorzichtigheid, barmhartigheid, rechtvaardigheid, matigheid en trouw, enz. In tegenstelling tot sommige christenen die de natuurrechtsleer verwerpen, ontkent Lewis dat de publieke moraal alleen door de Bijbel op aanvaardbare wijze gelegitimeerd kan worden. Elders in zijn werk benadrukt hij in dit verband dat de christelijke ethiek niet iets radicaal nieuws was. Men hoeft de autoriteit van de Bijbel niet te accepteren om moord en diefstal verwerpelijke zaken te vinden. Veel van de traditionele moraal die we in de Bijbel vinden is ook de redelijke moraal, de moraliteit van het gezonde verstand.
Dat mensen veelvuldig de wetten van de Tao overtreden is bekend, maar dat hoeft natuurlijk nog niet tot de gedachte te leiden dat de Tao niet bestaat. Die laatste gedachte is echter een unieke ‘verworvenheid’ van onze moderne cultuur. Het moderne waardenrelativisme heeft geweldige gevolgen. Wanneer het bestaan van de Tao wordt ontkend, valt de vanzelfsprekendheid weg een kind te trainen in deugdbeoefening. Augustinus omschrijft de deugd in De Civitate Dei als ordo amoris, de juiste ordening van onze aandoeningen, die zich pas realiseert na een vormingsproces waarin het kind voortdurend geleerd wordt de juiste aandoeningen te verbinden met die dingen die bepaalde aandoeningen ‘verdienen’. De emotie of wilskracht vormt daarbij de onontbeerlijke schakel tussen de ratio en het instinct. Het hoofd (de ratio) regeert als het ware de buik (de instincten) via de borst (de emotie) – een beeld uit Plato’s Politeia. De opvattingen van de schoolmeesters zijn dus niet zo onschuldig, want zij doen volgens Lewis de menselijke borststreek in ernstige mate verschrompelen. Het ontkennen van de Tao moet volgens Lewis in de praktijk leiden tot de ondergang van de samenleving.
‘Wat vind je er zelf van?’ is de dominante vraag geworden in het onderwijs van de moderne cultuur. Een dergelijk onderwijssysteem leidt tot – zoals Lewis ze noemt – ‘mensen zonder borststreek’, ‘aangeklede apen’ en ‘grootstedelijke botteriken’.
Wanneer je de gemiddelde student vraagt of er zoiets als absoluut ‘goed’ of ‘fout’ of ‘waarheid’ bestaat, zal de voorspelbare reactie zijn: dat zijn relatieve begrippen, iedereen heeft recht op zijn eigen mening, iedereen moet in zijn waarde gelaten worden, in een democratie moeten we tolerant zijn en niet denken de absolute waarheid in pacht te hebben. Wie daar tegenin gaat wordt al snel beschuldigd van hypocrisie en fundamentalisme. Het moderne denken is doordrenkt van het idee dat absolute waarden niet bestaan. Waarden en waarheden zijn in dit soort denken altijd relatief, persoonsgebonden of in ieder geval gebonden aan tijd en cultuur. Maar, zoals Lewis stelt, hebben veel mensen die ‘traditionele’ of ‘sentimentele’ waarden degraderen zelf waarden die ze immuun achten voor kritiek.
Lewis stelt: “Laten we er nu eens vanuit gaan dat de mens in staat is zijn eigen waarden te scheppen. Want waarom zou hij na de verovering van de natuur niet doorgaan met de verovering van de menselijke natuur zelf? Laten we zelf bepalen wat de mens moet worden en daarbij niet uitgaan van die denkbeeldige Tao’.” Lewis voert dit experiment vervolgens met ijzingwekkende logica uit. In de kern stelt hij zich de vraag wat er gebeurt als een machtselite – een dictator of een door een democratische meerderheid gekozen praatclub – bewust ieder geloof in de Tao verwerpt. Dan vormt zij onontkoombaar een controlestaat. De niet meer in de Tao gelovende elite wordt slechts geïnspireerd door social engineering, want de objectieve morele orde is definitief terzijde geschoven. In plaats daarvan kan men nog slechts geleid worden door utilitaire overwegingen en de waan van de dag. Wat Lewis ons laat zien, is hoe een poging om de menselijke natuur te overwinnen altijd moet uitlopen op een overwinning van de natuur op de mens. Een dergelijke triomf loopt zo onontkoombaar uit op de ‘afschaffing van de mens’. De absolute, objectieve waarden, de Tao, vormen de enige betrouwbare garantie voor de instandhouding van de menselijke vrijheid. De eigenlijke garantie voor onze vrijheid ligt in de overtuiging dat er waarden bestaan die voor niemand te manipuleren zijn.
Hoe kan de mens tot kennis over die objectieve morele orde komen? Drie bronnen worden onderscheiden: de Openbaring, de rede en de Traditie. De Openbaring is de goddelijke openbaring, zoals neergeslagen in de Bijbel. De rede is het gezonde menselijke verstand, samenhangend met de Traditie, de door eeuwen opeengestapelde menselijke praktische wijsheid. Wanneer de mens deze drie bronnen – Openbaring, rede en Traditie – geïntegreerd gebruikt, heeft hij een wapen in handen om het kwaad te beteugelen.
Veel natuurrechtdenkers geloven in God, maar anderen funderen de objectieve orde in de natuur zelf (‘the constitution of being’) en in de menselijke rede. In elk geval is hier het woord ‘ontdekken’ van belang: waarheid en waarden kunnen niet uitgevonden worden, ze behoeven slechts gevonden worden, ontdekt te worden, ze bestaan al. Tijdens ons aardse leven zal onze kennis van ‘the permanent things’ echter onvolmaakt blijven. Toch zijn wij niet te verontschuldigen.
Paulus stelt in Romeinen 2:
(12) Allen die gezondigd hebben zonder de wet te kennen, zullen ook zonder de wet verloren gaan; en allen die gezondigd hebben terwijl ze de wet wel kennen, zullen door de wet worden veroordeeld. (13) Niet wie de wet slechts aanhoort zal voor God rechtvaardig zijn, maar wie de wet naleeft. (14) Wanneer namelijk heidenen, die de wet niet hebben, de wet van nature naleven, dan zijn ze zichzelf tot wet, ook al hebben ze hem niet. (15) Ze bewijzen door hun daden dat wat de wet eist in hun hart geschreven staat; en hun geweten bevestigt dit, omdat ze zichzelf met hun gedachten beschuldigen of vrijpleiten.
Gods orde is zowel te vinden in een natuurlijke wetmatigheid als in de ervaring van schoonheid. De werkelijkheid verwijst naar haar Oorsprong. De theologische wet, de morele en maatschappelijke orde, maar bijvoorbeeld ook de fysische en esthetische wetmatigheden hebben meer met elkaar te maken dat we op het eerste gezicht zouden zeggen.
N.a.v. C.S. Lewis, De afschaffing van de mens, Kampen: Kok 2002.

bedankt voor dit artikel. good stuff.