“De wet is goed, maar de mensen niet.” (Chinese wijsheid)
Hoe is samenleven mogelijk? Wat houdt een samenleving bij elkaar? Een moderne liberaal zal waarschijnlijk wijzen op de wet. Wij, rationele mensen, zien in dat de samenleving zonder wettelijke kaders een chaos wordt. De overheid, onze voornaamste wetgever, moet het maatschappelijk verkeer in goede banen leiden. Volgens Max Weber is de belangrijkste basis voor de legitimiteit van gezag tegenwoordig het ‘legaliteitsgeloof‘, dat wil zeggen: de bereidheid om zich te conformeren aan regels die formeel correct zijn en via de juiste procedures tot stand zijn gekomen. [1] Gezag van overheid en wet berust in deze visie dus op formeel correcte procedures. Wanneer iemand zich niet aan de wet houdt, zijn er politie en justitie om de dwarsligger te corrigeren. Als teveel mensen onder deze bestraffende hand weten uit te komen, moeten we zorgen dat de pakkans groter wordt. Mensen zijn immers calculerende wezens. Dus: meer blauw op straat, cameratoezicht en een anonieme kliklijn. Maar het gevolg van deze redenering is dat een samenleving eigenlijk een controlestaat is. In deze visie, die, naar te vrezen valt, door veel mensen wordt aangehangen, komen begrippen als onderling vertrouwen en innerlijke beschaving niet voor. Maar wanneer innerlijke beschaving de burgers niet meer in toom houdt, rest slechts uiterlijke controle. Hoe meer het onderlinge vertrouwen afneemt, hoe dikker de contracten worden. [2]
Tijd voor een ander, klassiek geluid. In de dialoog Nomoi spreekt Plato over ongeschreven wetten (agraphoi). Zij vormen het morele fundament van de geschreven wetten. [3] De ongeschreven wetten (‘gebruiken van de voorvaderen’) zijn het bindmiddel in iedere gemeenschap. Zij vormen de band die alle wetten verbindt, of ze nu al op schrift zijn gesteld en vastliggen of nog moeten worden vastgesteld. Ze vormen een beschermende mantel om de geschreven wetten. Ze zijn als stutten die door timmerlieden in een bouwwerk zijn geplaatst. Wanneer deze stutten het in het midden begeven, trekken ze alles met zich mee in hun val. Eerst bezwijken de stutten zelf en daarna volgt het fraaie bouwwerk dat erop rustte. Geschreven wetten kunnen, zolang ze op zichzelf staan, nooit de samenleving bij elkaar houden.
In de liberale samenleving wordt gestreefd naar het creëren van een neutrale publieke sfeer waarin de bijzondere waarden van de private sfeer niet al te zeer in botsing kunnen komen. De leegte van de publieke ruimte wordt echter tot een probleem en zal leiden tot een implosie wanneer haar fundament wegvalt. Diversiteit en vrijheid kunnen alleen bestaan als burgers ook fundamentele opvattingen met elkaar delen. Dat is meer dan het eens zijn over procedures zoals veel moderne liberalen denken. Carl Schmitt noemde het liberale burgerdom cynisch een ‘discussiërende klasse’ die op de vraag ‘Christus of Barrabas?’ zou antwoorden met het instellen van een onderzoekscommissie. De ziel is eruit.
Iemand die een scherp oog heeft gehad voor wat niet in de wet staat, maar toch van wezenlijk belang is, was Alexis de Tocqueville. In zijn studie naar de werking van democratie in Amerika let hij niet in de eerste plaats op de vormgeving van instituties (de staatsvorm), maar op de esprit public in de samenleving. [4] Democratie is voor hem een type samenleving behorend bij een type mens: de democratische. [5] De moderne samenleving is de democratische samenleving en de moderne mens de democratische mens. Kenmerkend voor deze samenleving en mens is de equality of conditions [6] , het leidende beginsel in een democratie. [7] Deze gelijkheid geeft een bepaalde richting aan de public spirit, de wetten en de bestuurlijke principes. Hij zorgt voor speciale habits bij de bevolking en bepaalt tevens opinions, sentiments en usages. [8] Om de democratie te doorgronden, kijkt Tocqueville dus niet allereerst naar wetten en politieke structuren, maar naar de social state van de Amerikanen, gebaseerd op gelijkheid. Tocqueville stelt: [9]
The social state is ordinarily the product of a fact, sometimes of laws, most often of these two causes united; but once it exists, one can consider it as the first cause of most the laws, customs and ideas that regulate the conduct of nations; what it does not produce, it modifies. In order to know the legislation and mores of a people, one must therefore begin by studying its social state.
Als belangrijke factor noemt Tocqueville religie. Maar religie is in de moderne liberale samenleving een ondergeschoven kindje. Een probleem met de liberale staatsopvatting is “dat ze slechts lijkt te gedijen in een maatschappelijk klimaat waarin een aantal waarden min of meer vanzelfsprekend is”, aldus Frits Bolkestein. [10] In de tijd van Adam Smith was het christendom de verzwegen vooronderstelling.
In 1948 bepaalde de Volkspartij voor Vijheid en Democratie (VVD) nog in haar beginselprogramma: [11]
De grondslagen der Nederlandse beschaving wortelen in het christendom. (…) De partij is ervan doordrongen, dat het bovenal de christelijke geest is, die ons volk de waarde en de vrijheid van de mens en zijn verantwoordelijkheid heeft doen beseffen. Zij acht het daarom een onafwijsbare eis, dat door versterking van deze geest zedelijke ontworteling en geestelijk nihilisme worden overwonnen. (…) Zij geeft zich er daarbij ten volle rekenschap van, dat de zedekundige beginselen van het christendom worden aangehangen door zeer velen, die de christelijke godsdienst niet belijden.
Dergelijke bepalingen stonden ook in beginselprogramma’s van andere, niet-confessionele partijen. In de preambule van de Duitse grondwet, waar geschreven wordt dat de grondwet is opgesteld Im Bewußtsein seiner Verantwortung vor Gott und den Menschen, is ook nog iets van dit besef te vinden.
Bij John Locke, één van de vaders van het liberalisme, kan men lezen dat religie belangrijk is voor de publiek vrede. Hij stelt in zijn eerste Brief over de tolerantie, dat “zij die het bestaan van een goddelijke macht ontkennen op geen enkele manier getolereerd mogen worden”. Immers: waar het geloof in God ophoudt, daar stort alles ineen. [12] Een vooraanstaande Nederlandse liberaal als R.J. Schimmelpenninck (1761-1825) was van mening dat wanneer een volk de eerbied voor een almachtige God van zich zou afschudden het “weldra tot zulk eene verschrikkelijke afgrond van zeedeloosheid zoude vervallen, dat geene wetten vermogend genoeg zouden zijn om den allesvernietigenden stroom van ontembare driften te beteugelen”. [13] We kunnen ons inderdaad afvragen: Welke grond is er onder het procedurele bouwwerk van de liberale staat wanneer de levensbeschouwelijke fundering, het bezielend verband, verdwenen is?
De term constitutie wordt – in haar meest beperkte betekenis – gebruikt als een synoniem voor de (geschreven) grondwet. Het op schrift gestelde recht zal vaak een eerste aanknopingspunt zijn. Maar ook de constitutie in de bredere betekenis van de fundamentele rechtsbeginselen, het staatsrechtelijke gewoonterecht en de meest fundamentele wetten zal worden bestudeerd. De constitutie is echter in de meest ruime betekenis van het woord: al hetgeen de maatschappelijke orde fundeert. Daar vindt men de volle breedte en diepte van het recht. Wie het recht loskoppelt van haar fundament, heeft van het recht noch van dat fundament iets begrepen.
Noten
[1] M. Weber, Wirtschaft und Gesellschaft, Tϋbingen: J.C.B. Mohr (Paul Siebeck) 1972, p. 19: “Legalitätsglaube: die Fϋgsamkeit gegebϋber formal korrekt und in der ϋblichen Form zustandgekommen Satzungen.”
[2] Over het belang van onderling vertrouwen en mores, zie: Francis Fukuyama, Trust: The Social Virtues and the Creation of Prosperity, New York: Free Press 1995 en Robert D. Putnam, Making Democracy Work, Princeton: Princeton University Press 1994.
[3] Boek VII (793b-793d)
[4] Alexis de Tocqueville, De la démocratie en Amérique (1835-1840); ik hanteer de vertaling van Harvey Mansfield en Delba Winhrop: Alexis de Tocqueville, Democracy in America, Chicago: University of Chicago Press 2000.
[5] M. Zetterbaum, ‘Alexis de Tocqueville’, in: L. Strauss & J. Cropsey (eds.), History of Political Philosophy, Chicago: Rand McNally & Company 1963, p. 659; A.A.M. Kinneging, ‘Tocqueville: een inleiding’, in: A. de Tocqueville, Democratie: wezen en oorsprong, Kampen: Agora 2004, p. 14.
[6] Tocqueville 2000, p. 3.
[7] Zetterbaum 1963, p. 658.
[8] Tocqueville 2000, p. 3.
[9] Tocqueville 2000, p. 45.
[10] F. Bolkestein, VVD partijraad, 22 juni 1996.
[11] Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, Beginselprogramma 1948, artikel 3, zie www.rug/dnpp.
[12] J. Locke, Een Brief over tolerantie, Vertaling, inleiding en essay Inigo Bocken, Budel: Damon 2004, p. 75.
[13] Aangehaald in R. Kuiper & A.J. Verburgh, Gelukkig is het land, z.p.: Buijten & Schipperheijn 1996, p. 17.
