Wat begon als een onderzoek naar het Amerikaanse gevangeniswezen eindigde met een politiek standaardwerk: “Democratie in Amerika”. Het scherpe oog van de jonge Fransman Alexis de Tocqueville was uitermate geschikt om het religieuze karakter van de jonge natie Amerika waar te nemen en vast te leggen. De Tocqueville zag dat democratie en religie elkaar in dit land juist versterkten en niet elkaars concurrenten waren, zoals in Frankrijk ooit wel het geval was geweest.
In 1835 en 1840 publiceert de franse graaf Alexis de Tocqueville (1805-1859) de twee delen van zijn meesterwerk De la démocratie en Amérique. [1] In dit werk geeft Tocqueville een diepgravende beschrijving van de moderne democratische samenleving en mens, zoals hij die had aangetroffen tijdens zijn reis naar Amerika. Tocqueville besteedt veel aandacht aan de rol van religie in de Amerikaanse samenleving. Na zijn bezoek aan de Nieuwe Wereld schrijft hij in 1835: “On my arrival in the United States it was the religious aspect of the country that first struck my eye.” [2] Nadat Tocqueville uitgebreid studie heeft gemaakt van Amerika, merkt hij op: “Religion, which, among Americans, never mixes directly in the govemement of society, should […] be considered as the first of their political institutions.” [3]
In dit essay probeer ik de hoofdlijnen van het betoog van Tocqueville weer te geven. Mijn doel is om aan te tonen dat het werk van Tocqueville niets aan actualiteit heeft ingeboet.
De democratische mens
In De la Démocratie en Amérique onderzoekt Tocqueville het wezen van de moderne mens en samenleving, zoals die ontstaan zijn uit de Verlichting en de Franse Revolutie. [4] Er is volgens hem sprake van een ‘democratic revolution’. [5] De democratie heeft de toekomst. Tocqueville beschouwt democratie niet in de eerste plaats als een bepaalde vormgeving van instituties, als een staatsvorm, maar als een type samenleving behorend bij een type mens: de democratische. [6] De moderne samenleving is de democratische samenleving en de moderne mens de democratische mens. Kenmerkend voor deze samenleving en mens is de ‘equality of conditions’ [7] , het leidende beginsel in een democratie. [8] Deze gelijkheid geeft een bepaalde richting aan de ‘public spirit’, de wetten, de bestuurlijke principes en speciale ‘habits’ bij de bevolking en bepaald tevens ‘opinions’, ‘sentiments’ en ‘usages’. [9] Om de democratie te doorgronden, kijkt Tocqueville dus niet in de eerste plaats naar wetten en politieke structuren, maar naar de ‘social state’ van de Amerikanen, gebaseerd op gelijkheid. Hij schrijft: “The social state is ordinarily the product of a fact, sometimes of laws, most often of these two causes united; but once it exists, one can consider it as the first cause of most the laws, customs and ideas that regulate the conduct of nations; what it does not produce, it modifies. In order to know the legislation and mores of a people, one must therefore begin by studying its social state.” [10]
Op dit punt gekomen, is het ook begrijpelijk waarom Tocqueville aandacht besteedt aan de rol die religie speelt in de Amerikaanse democratie. Religie is immers een belangrijk element in de Amerikaanse maatschappij. Dat was toen zo en dat is nu nog zo. Zodadelijk zal blijken waarom religie zo’n belangrijke rol speelt, dat er zelfs gesproken kan worden van ‘the first of their political institutions’. [11]
Zoals Amerika is, zal Europa ook worden, zo verwacht Tocqueville. Daarom wil hij de democratie doorgronden. De toekomst moet immers in goede banen geleid worden. Over zijn reis schrijft hij: “I confess that in America I saw more than America; I sought there an image of democracy itself, of its penchants, its character, its prejudices, its passions; I wanted to become acquinted with it if only to know al least what we ought to hope or fear from it.” [12] Amerika staat model voor de democratie. En de democratie in Amerika is een goede democratie.
Individualisme
De democratie kenmerkt zich door haar atomisme. Mensen treden elkaar als gelijken tegemoet. De aristocratische afhankelijkheidsrelaties zijn verdwenen. [13] In dit verband ontwikkelt Tocqueville de term ‘individualisme’. Hij stelt: “Individualism is a reflective and peaceable sentiment that disposes each citizen to isolate himself from the mass of those like him and to withdraw to one side with his family and his friends, so that after having thus created a little society for his own use, he willingly abandons society at large to himself.” [14] Individualisme is dus iets anders dan egoïsme (‘selfishness’), dat te maken heeft met een verwrongen zelfbeeld. Individualisme is een typisch democratisch gegeven, dat tot ontwikkeling komt wanneer gelijkheid wordt gerealiseerd. Individualisme brengt twee sociale gevaren met zich mee, aldus Tocqueville. In de eerste plaats dat mensen zich afkeren van de maatschappij om hen heen. Ze houden zich alleen nog maar met hun eigen, kleine zaken bezig en bekommeren zich niet meer om de publieke zaak. In de tweede plaats is er het materialisme. Mensen houden zich alleen met hun eigen pleziertjes bezig en hebben bovendien, vanwege de egalitaire maatschappij, de mogelijkheid om zich op te werken en rijk te worden. Een ieder heeft namelijk in principe gelijke kansen.
Aan het einde van zijn boek maakt Tocqueville de balans op en schetst in een zwart scenario welke uitwerking deze gevaren kunnen hebben op de maatschappij: “I see an innumerable crowd of like and equal men who revolve on themselves without repose, producing the small and vulgar pleasures with which they fill their soules.” [15] Elk van deze mensen leeft teruggetrokken en afgescheiden en is als een vreemdeling, onverschillig over het lot van alle anderen. De mensheid bestaat voor deze democratische mens uit zijn kinderen en naaste vrienden. Hij woont wel naast andere mensen, maar ‘he does not see them; he touches them and does not feel them.’ Hij bestaat alleen in zichzelf en voor zichzelf. Als er dan nog een familie voor deze democratische mens bestaat, hij heeft in ieder geval geen vaderland meer. [16] Hiermee schetst Tocqueville de sociale gevaren die op de loer liggen in een democratie.
Tirannie
Naast de genoemde sociale gevaren zijn er ook politieke gevaren verbonden aan het gelijkheidsdenken en het individualisme. In de democratie dreigt de vrijheid teloor te gaan door het voortdurende streven naar gelijkheid. De individualistische en materialistische mens is namelijk niet werkelijk vrij, omdat hij niet werkelijk mens is. De democratische gelijkheid kan samengaan met vrijheid, maar ook met tirannie, aldus Tocqueville. [17] Hij onderscheidt twee soorten democratische tirannie. In de eerste plaats is er de ‘tyranny of the majority’. [18] Door de egalitaire, homogene maatschappij zullen de enkelingen die qua inzichten boven de massa uitsteken onvoldoende de opinie van de meerderheid en de politieke besluitvorming kunnen beïnvloeden. De meerderheid heeft dan altijd gelijk. De andere tirannie is die van de almachtige overheid. Wanneer de mensen vanwege hun individualisme de zorg om de publieke zaak laten varen, kan deze zorg slechts worden overgenomen door de overheid. Deze overheid zal zich met alles gaan bemoeien. Deze bemoeizucht kan ontaarden in tirannie. Geen harde, maar een milde tirannie: een overheid die alles voor de mensen regelt, maar hen daarmee hun vrijheid ontneemt. Ook hier schetst Tocqueville een zwart scenario: “An immense tutelary power is elevated, which alone takes charge of assuring their enjoyments and watching their fate. It is absolute, detailed, regular, far-seeing, and mild.” [19] Deze macht heeft iets weg van het gezag dat een vader over zijn zoon heeft om hem op te voeden tot een man, maar de ontaarde democratische overheid lijkt het tegengestelde na te streven: “[I]t seeks only to keep them fixed irrevocably in childhood; it likes citizens to enjoy themselves provided that they think only of enjoying themselves.” [20] Deze overheid zet zich welwillend in voor het geluk van de onderdanen, maar ze wil dan ook de ‘unique agent and sole arbiter’ daarvan zijn. Ze zorgt voor hun veiligheid, voorziet en vervult hun noden en wensen, faciliteert hun genoegens, regelt hun belangrijkste zaken, regelt het productieproces en verzorgt en verdeelt hun nalatenschappen. Cynisch vraagt Tocqueville zich af: “[C]an it not take away from them entirely the trouble of thinking and the pain of living?” [21]
Het uit de gelijkheidsgedachte voortvloeiende individualisme vormt dus een reële bedreiging voor de democratie. Onverschilligheid voor de publieke zaak, materialisme en verschillende vormen van tirannie liggen immers op de loer. In Amerika heeft de democratie echter geleid tot vrijheid. Daarom moet in Amerika bestudeerd worden welke remedies er bestaan tegen de tirannie en welke randvoorwaarden er bestaan voor de vrijheid.
Remedies
De belangrijkste remedies die Tocqueville ziet tegen de gevaren van individualisme zijn ‘self-interest well understood’ [22] en religie. Ik zal kort ingaan op het welbegrepen eigenbelang, de rest van deze paragraaf is gewijd aan de religie. Volgens Tocqueville zullen mensen zich, ondanks het individualisme, wel bekommeren om het algemeen belang, wanneer ze door maatschappelijke ervaring inzien dat hun eigenbelang niet los is te zien van het algemeen belang. Hun eigenbelang is onlosmakelijk verweven met het algemeen belang. Wanneer dat ingezien wordt, ontstaat er een welbegrepen eigenbelang. Dit inzicht wordt gevormd doordat Amerikanen zoveel mogelijk zelf hun land besturen. Hierdoor ontstaat politiek en bestuurlijk inzicht en worden allerlei ‘associations’ gevormd. Omdat mensen zich voor een (gedeeltelijk) gezamenlijk doel inzetten, zullen ze zich namelijk verenigen. Dit welbegrepen eigenbelang bevordert dus betrokkenheid op de publieke zaak en stimuleert saamhorigheid. Tocqueville schetst bijvoorbeeld hoe in Amerika ‘associations’ allerlei zaken organiseren die in Europa door de overheid worden geregeld. Dit welbegrepen eigenbelang leidt tot een bepaald soort patriottisme. Het is een patriottisme dat rationeler is dan het houden van het geboorteland. Het bestaat uiteindelijk hierin dat ‘a man understands the influence that the well-being of the country has on his own.’ [23]
Volgens Tocqueville brengt de gelijkheidsgedachte veel goeds in de wereld, maar ook heel gevaarlijke tendensen. Genoemd zijn individualisme en materialisme. Naast de buffer van het welbegrepen eigenbelang is er ook de religie. Tocqueville schrijft daarover: “The greatest advantage of religions is to inspire wholly contrary instincts.” [24] Er is geen religie die het verlangen van mensen niet richt op zaken die hoger zijn dan aardse goederen en die de ziel niet verheft ‘towards regions much superior to those of the senses.’ [25] Religie verheft en corrigeert.
Wat religie en democratie betreft, is de boodschap van Tocqueviile: “Religious peoples are (…) naturally strong in precisely the spot where democratic peoples are weak; this makes very visible how important it is that men keep to their religion when becoming equal.” [26] Deze gedachte wordt hieronder nader uitgewerkt.
Religie
Ook religie is dus een belangrijke remedie tegen de gevaren van individualisme en materialisme. Gesteld kan worden dat religie werkt als noodzakelijke ondersteuning van en correctie op het welbegrepen eigenbelang. Wanneer Tocqueville de rol van religie bespreekt, beschouwt hij religie puur politiek-filosofisch, vanuit een ‘purely human point of view’. [27] Hij laat de universele dimensie van religie – het hiernamaals – rusten en richt zich op de bufferfunctie die religie vormt tegen excessief individualisme en materialisme in de democratie – het hiernumaals. Hij zoekt naar de manier waarop religies ‘can most easily preserve their empire in the democratic centuries that we are entering.’ [28]
Religie wijst de democratische mens op datgenen wat uitstijgt boven het zintuiglijke. [29] Ook wordt de mens losgemaakt van de fixatie op zijn eigen welzijn en wordt hij gewezen op zijn verplichtingen ten opzichte van andere mensen en het grotere geheel. Kernachtig uitgedrukt komt Tocqueville’s redenering hier op neer: (1) zonder moraal kan er geen goede democratie bestaan, (2) en zonder religie geen moraal, (3) daarom is religie het belangrijkste fundament van de democratie. Zonder religie is er in een democratie geen werkelijke vrijheid.
In Amerika zijn christendom en vrijheid dan ook nauw verweven. Daarin ligt de verklaring van het geheim van het succes van de democratie in Amerika. Religie is voor de Amerikanen ‘the first of their political institutions’, ‘for it does not give them the taste for freedom, it singulary facilitates their use of it.’ [30]
Tocqueville beschrijft hoe de Amerikaan ‘s zondags al zijn werk laat rusten en naar de kerk gaat. Daar wordt hem verteld over de ‘innumerable evils caused by pride and covetousness’, over de ‘necessity of regulating his desires’ en over de ‘delicate enjoyments attached to virtue alone’. [31] Ook bestudeert hij de Heilige Schriften. Door deze religieuze praktijken wordt zijn aandacht van hemzelf en zijn ‘small passions’ afgetrokken en krijgt hij zicht op een ideale, zuivere wereld. De Amerikaan raakt overtuigd van de noodzaak om de democratie middels religie ‘more moral’ te maken.
Tocqueville haalt uit naar Fransen die denken dat ze zonder religie vrij kunnen zijn. Tocqueville stelt: “Despotism can do without faith, but freedom cannot.” [33] In de republiek die de revolutionaire Fransen voorstaan, is religie nog meer nodig dan in de monarchie die ze aanvallen. In democratische republieken is religie nog het meest noodzakelijk. Tocqueville stelt de retorische vraag: “How could society fail to perish if, while the political bond is relaxed, the moral bond were not tightened?” Hoe kan een mens meester over zichzelf zijn als hij zich niet onderworpen heeft aan God? [34]
Religie beschermt de democratische mens ook tegen het gevaar van de ‘sterke man’ die gemakkelijk de macht kan grijpen wanneer een ieder zich slechts met het kleinschalige eigenbelang bezighoudt.
Civiele religie
Tocqueville is er zich van bewust dat niet iedere Amerikaan onvoorwaardelijk in het christendom gelooft. Maar zelfs zij die niet geloven, zien toch de waarde in van religie en zijn ervan overtuigd dat religie een belangrijke basis is voor de moraal: “In ceasing to believe religion true, the unbeliever continues to judge it useful.” [35] De ongelovige ziet de rol van religie puur menselijk, net als Tocqueville zelf. De ongelovige ziet in dat hij iets belangrijks verloren heeft: “He therefore regrets his faith after he has lost it, and deprived of a good of which he knows the entire value, he fears to take it away from those who still possess it.” [36] Deze gedachtegang doet denken aan het verhaal dat over Voltaire de ronde doet: hij stelde zelf niet meer te geloven, maar vreesde dat zijn personeel het geloof ook kwijt zou raken, omdat zijn tafelzilver dan niet meer veilig zou zijn. Ondanks dat er mensen zijn die niet geloven, stelt Tocqueville dat de mens ongeneeslijk religieus is: “Disbelief is an accident; faith alone is the permanent state of humanity.” [37]
Onder de Amerikanen verbergen de ongelovigen hun ongeloof, terwijl de gelovigen hun geloof publiekelijk uitdragen. Dit heeft een effect op de publieke opinie, omdat een ‘public opinion in favor of religion’ wordt gevormd. [38] Er ontstaat iets wat wel een civiele religie wordt genoemd. [39] Deze civiele religie, vermengd met een zeker chauvinisme, geeft samenhang aan de maatschappij. Er zijn weinig landen die op dat punt op Amerika lijken. Niemand kijkt in Amerika op van een uitroep als “God bless America” of van een aanduiding als ‘one nation under God’.
Religie en politiek
Wanneer religie zo belangrijk is voor de maatschappij, zou men zich voor kunnen stellen dat de staat zich er actief mee bemoeit. Hier is Tocqueville echter een felle tegenstander van. Hij ziet niets in een staatsreligie. Wanneer de kerk zich bezig houdt met de ‘interests of political power’ zal ze dat vroeg of laat fataal worden. Religie moet zuiver blijven en zich niet laten leiden door democratische meerderheidsbesluiten. Religie moet sterk zijn, maar moet daarom juist gescheiden zijn van de staat om haar functie goed te kunnen vervullen. Zo werkt het ook in Amerika: “One cannot say that in the United Stales religion exerts an influence on the laws or on the details of political opinions, but it directs mores, and it is in regulating the family that it is works to regulate the state.” [40] De invloed van religie op de politiek is indirect. Wanneer religie zich verbindt met politieke macht, wordt haar macht over enkelen versterkt, maar gaat de mogelijkheid om over allen te heersen verloren. Wanneer een religie zich verbindt met een democratische macht, is het gevaar des te groter, omdat de macht in een democratie van hand tot hand gaat. Een religie die zich verbindt aan een macht op aarde, wordt even kwetsbaar als die macht.
Religie kan een tegenkracht zijn tegen hetgeen bij wet is toegestaan. Tocqueville stelt: “At the same time that the law permits the American people to do everything, religion prevents them from conceiving everything and forbids them to dare everything.” [41] Dat wil niet zeggen dat religie tegen de wet ingaat. Wel stelt religie grenzen aan de uitoefening van vrijheden die bij wet gegeven zijn. Vrijheid vraagt om een invulling.
Tocqueville analyseert als een socioloog de sociale structuren van Amerika. Via deze weg wil hij een beeld krijgen van de politieke en staatkundige structuren. Deze handelswijze is meer dan een mogelijke onderzoeksmethode. Tocqueville leert diegene die zich met staatkunde bezig houdt, dat een analyse van de formele structuren van de constitutie maar een beperkt beeld geeft van de staatkundige werkelijkheid. Zoals Montesquieu in zijn De l‘esprit des lois al laat blijken, is een constitutie niet los te zien van een volk, een cultuur en zelfs van een bepaalde natuur. Een volksmentaliteit geeft de grondstructuur voor een politiek bestel. Maar evenzo kweekt zo’n bestel een bepaalde mentaliteit. Tocqueville stelt: “Certain constitutions maintain citizens in a sort of lethargic slumber, and others deliver them to feverish agitation.” [42] Het is duidelijk dat de Amerikaanse constitutie tot de tweede categorie behoort.
Waar religie een belangrijke plaats heeft in een volk, zal de constitutie van dat volk hiermee in overeenstemming dienen te zijn. Dat wil niet zeggen dat de constitutie een expliciete rol voor de religie reserveert. Geen staatsgodsdienst dus. Wel zal de ruimte die bijvoorbeeld aan particulier initiatief wordt geschonken een afspiegeling zijn van het vertrouwen dat aan de burger geschonken wordt. Wanneer bij burgers de neiging tot het nemen van publieke verantwoordelijkheid is aangekweekt en zij geleerd hebben om bepaalde morele grenzen in acht te nemen, kan hen ook de vrijheid geschonken worden om eigen initiatieven te ontplooien. Ook zal de mate van zelfbestuur die aan burgers geschonken wordt, bepaald worden door de capaciteiten die burgers geacht worden te hebben. Juist bij de vorming van burgers speelt religie een belangrijke rol. De invloed van religie op de constitutie is dus indirect, zoals met deze korte exercitie is gepoogd aannemelijk te maken.
Christendom en islam
Wanneer Tocqueville het belang van religie benadrukt, valt op dat hij het voortdurend over het christendom heeft. Nu is dat niet verwonderlijk, omdat hij de Amerikaanse democratie onderzoekt en de Amerikanen christenen zijn. Toch schenkt hij ook enige aandacht aan de islam. Uit zijn opmerkingen daaromtrent blijkt dat het niet onverschillig is over welke religie we spreken in verband met de democratie. Tocqueville stelt het volgende: “Mohammed had not only religieus doctrines descend from Heaven and placed in the Koran, but political maxims, civil and criminal laws, and scientific theories. The Gospels, in contrast, speak only of the general relations of men to God and among themselves.” [43] Het Christendom verplicht verder tot niets. Dat alleen al, schrijft Tocqueville, is, naast duizend andere redenen, genoeg om aan te tonen dat de islam niet lang te handhaven is in ‘elightened and democratic times.’ [44] Mijns inziens is deze boodschap de moeite van het overdenken waard, zeker gezien de vraagstukken rond islam en democratie in onze tijd. De hedendaagse roep om een ‘verlichte’ islam kan echter gemakkelijk ontaarden in een visie op religie die niet in lijn is met die van Tocqueville.
Religie en rechten
Een uitvloeisel van het Verlichtingsdenken is het concept van ‘rechten’ van burgers. In Amerika hebben burgers ook allerlei rechten. Tocqueville verbindt rechten met deugden. Hij stelt: “The idea of rights is nothing other than the idea of virtue introduced into the political world.” [45] Voor Tocqueville hebben rechten een morele lading. Religie geeft de inhoud aan rechten en bepaalt ook de omgang ermee. Tocqueville stelt de retorische vraag: “Do you not see that religions are weakening and that the divine notion of rights is disappearing?” [46] Zonder religie verliest een recht zijn lading. Tocqueville vervolgt: “Do you not find that mores are being altered, and that with them the moral notion of rights is being affected?” [47] De moderne mens ziet rechten als individuele verworvenheden. Maar, zo vraagt Tocqueville zich af, wanneer de morele lading van rechten verdwijnt wat blijft er dan anders over dan ‘to bind the idea of rights to the personal interest that offers itself as the only immobile point in the human heart?’ [48] Door religie wordt Amerikanen het besef bijgebracht dat rechten niet los verkrijgbaar zijn van plichten. De uitoefening van de vrijheid die door rechten geboden wordt, wordt door moreel besef in een kader geplaatst.
Het belang van Tocqueville
Wat is het belang van het gedachtegoed van Tocqueville in onze tijd? Buiten een kring van specialisten is hij relatief onbekend. Er verschijnen zelfs handboeken op het gebied van de politieke theorie waarin Tocqueville niet of slechts zeer summier behandeld wordt. [49] Daaruit spreekt een duidelijke onderschatting en onderwaardering. Daarmee doen we Tocqueville en uiteindelijk onszelf tekort.
Tocqueville’s beschrijving van de democratische mens met zijn individualisme en materialisme doet beangstigend veel denken aan de westerse mens vandaag de dag. Staan wij misschien ook bloot aan de gevaren die er volgens Tocqueville kleven aan een vrijheid zonder moraal? Is het mogelijk dat er onder ons een ‘sterke man’ opstaat die orde schept ten koste van vrijheid? Hoe retorisch zijn deze vragen?
De gedachten over religie die Tocqueville uiteen zet in De la Démocratie en Amérique zijn zeker voor Europeanen interessant. We moeten niet vergeten dat het werk ook voor Europeanen – in eerste instantie voor Fransen (!) – en niet zozeer voor Amerikanen is geschreven. Een strikte scheiding van kerk en staat, zoals die in Amerika bestond en bestaat, betekent niet dat religie een pure privé-aangelegenheid is. Het belang van religie is – of was tot voor kort – een blinde vlek voor moderne politiek theoretici, uitzonderingen als de eerder genoemde Eric Voegelin daargelaten. Zeker vanwege de opkomst van de islam en het ontstaan van multiculturele en multireligieuze samenlevingen kunnen we ons deze blinde vlek niet meer veroorloven. Of we nu zelf wel of niet religieus zijn, religie is een niet te onderschatten factor, ook in de moderne maatschappij.
De Verlichting heeft op het punt van de religie behalve nuanceringen ook verduistering gebracht. De moderne mens heeft veel weg van een ‘blind giant’ (Leo Strauss), die wel heel veel kan, maar niet goed weet hoe hij met deze mogelijkheden moet omgaan. Dat geldt op het gebied van de techniek, maar ook op het gebied van de staatkunde. De moderne democratie bracht heel veel mogelijkheden voor heel veel mensen, maar bracht met haar egalitarisme ook de gevaarlijke kanten van individualisme en materialisme met zich mee. Tocqueville legde de vinger op de zere plek en wees ook een oplossingsrichting. Daarom is Tocqueville voor mij, zeker ook wat zijn analyse van de rol van religie in de maatschappij betreft, een staatkundige reus.
Noten
[1] Ik hanteer de volgende vertaling: A. de Tocqueville, Democracy in America, Chicago/London: University of Chicago Press 2000 (translated, edited, and with an introduction by Harvey C. Mansfield and Delba Winthrop).
[2] Tocqueville 2000, p. 282.
[3] Tocqueville 2000, p. 280.
[4] Zie voor de Franse Revolutie zijn andere grote werk: L’Ancien Régime et la Revolution (1856)
[5] Tocqueville 2000, p. 3.
[6] M. Zetterbaum, ‘Alexis de Tocqueville’, in: L. Strauss & J. Cropsey (eds.), History of Political Philosophy, Chicago: Rand McNally & Company 1963, p. 659; A.A.M. Kinneging, ‘Tocqueville: een inleiding’, in: A. de Tocqueville, Democratie: wezen en oorsprong, Kampen: Agora 2004, p. 14.
[7] Tocqueville 2000, p. 3.
[8] Zetterbaum 1963, p. 658.
[9] Tocqueville 2000, p. 3.
[10] Tocqueville 2000, p. 45.
[11] Ibidem, p. 280.
[12] Ibidem, p. 12.
[13] Zetterbaum 1963, p. 660.
[14] Tocqueville 2000, p. 482.
[15] Tocqueville 2000, p. 663.
[16] Ibidem
[17] Zetterbaum 1963, p. 659.
[18] Tocqueville 2000, p. 239.
[19] Tocqueville 2000, p. 663.
[20] Ibidem
[21] Ibidem
[22] Ibidem, p. 500.
[23] Tocqueville 2000, p. 225.
[24] Ibidem, p. 419.
[25] Ibidem
[26] Ibidem
[27] Kinneging 2004, p. 42; Tocqueville 2000, p. 419.
[28] Tocqueville 2000, p. 419.
[29] Zetterbaum 1963, p. 674.
[30] Tocqueville 2000, p. 280.
[31] Ibidem, p. 517.
[32] Ibidem, p. 518.
[33] Ibidem, p. 282.
[34] Ibidem
[35] Ibidem, p. 286.
[36] Tocqueville 2000, p. 286.
[37] Ibidem, p. 284.
[38] Ibidem, p. 287.
[39] Vergelijk Rousseau die in het laatste hoofdstuk van zijn Du Contrat Social wijst op de noodzaak van een ‘religion civile’. Ook Machiavelli wijst in zijn Discorsi (I.11 e.v.) op de belangrijke functie van religie voor de maatschappelijke orde, wanneer hij spreekt over de godsdienst van de Romeinen.
[40] Tocqueville 2000, p. 278.
[41] Tocqueville 2000, p. 280.
[42] Ibidem, p. 285.
[43] Tocqueville 2000, p. 419.
[44] Ibidem, p. 420.
[45] Ibidem, p. 228.
[46] Ibidem
[47] Ibidem
[48] Ibidem
[49] Bijvoorbeeld: J.S. McClelland, A History of Western Political Thought, London: Routledge 1996 en G.H. Sabine, A History of Political Theory, revised edition, New York: Henry Holt and Company 1950.

Beste meneer Bas Hengstmengel
ik studeer Cultuurwetenschappen bij de OU. En ben net begonnen aan de moduul ‘Kijken naar Amerika’.
Meteen in het eerste hoofdstuk wordt Alexis de Tocqueville aangehaald. Daar heb ik ooit wel eens over gelezen, maar ik had toch wat opfrissing nodig. Al google-end kwam ik op uw webpagina.
Daar vond ik uw essay dat naar mijn mening prima aansluit op mijn te bestuderen stof. Bovendien vind ik het duidelijk, helder en begrijpelijk geschreven.
Natuurlijk heb ik wel even verder gegoogled wie er achter die naam Bas Hengstmengel steekt. Dit in verband met de betrouwbaarheid van het artikel. Maar ook dat zit denk ik wel goed.
Mijn dank
Hermien Tiermissen